dinsdag 6 juli 2010

Afscheidsspeech: “We have to give hope!”

Wat ga ik zeggen tijdens mijn afscheidsspeech aan mijn partners in Uganda? Die vraag gonst al weken door mijn hoofd. Beelden tuimelen over elkaar heen, emoties wisselen elkaar af. Hoe vat ik zoveel jaren hoogte- en dieptepunten samen in één verhaal. Hoe doe ik recht aan al de mensen die zoveel voor anderen, voor ICCO en Kerk in Actie en voor mijzelf hebben betekend? Ik heb zoveel van hen geleerd over omvallen, opstaan en doorgaan, over nooit opgeven, lachen en genieten, over God en mensen. Hoe vang ik dat in een verhaal? Leren…ja, dat is het. Dat moet het zijn. Mijn afscheidsspeech zal gaan over wat ik geleerd heb van negen jaar partnerschap. 



“Elise! Dat kan niet hoor! Een speech van een minuut!” 
Tijdens een van mijn eerste reizen kijkt Rueben me bestraffend aan. 
“Zo doen we dat hier niet.” 
Ik vraag hem ietwat wanhopig wat ik dan moet zeggen. 
“Zeg wat je ziet, wat je voelt, dat je meevoelt, maar bovenal: geef mensen hoop. Dat is je taak.” 
Na mijn eerste bezoek aan iemand die doodziek met aids op bed op ligt, had ik inderdaad weinig woorden. Wat zeg je dan? 
Eerlijk gezegd geen idee. Naar toekomstbeelden vragen, slaat dan nergens op voor mijn gevoel, maar wat dan? Rueben, normaal een en al grapjes en jovialiteit is duidelijk: “Geef mensen hoop, aan jouw gestotter hebben ze niks!” 
Hoop geven als levenstaak. En dat neerzetten in een mooi verhaal. Ik kauw er lang op, wik, weeg en schaaf en leer balanceren tussen authentiek zijn en tegemoet komen aan de Ugandese breedsprakigheid. Jaren later speech ik meer dan een half uur bij de opening van een ziekenhuis. Rueben komt na afloop naar me toe en grijnst breed: je hebt heel veel bijgeleerd. 
Ik moet lachen. Hij heeft gelijk, maar ik heb meer geleerd dan lange speeches geven. Uganda heeft me de kracht van de hoop geleerd. 

“Zij heeft aids, maar we hebben een goede regeling voor haar getroffen!” 
Ik kijk naar het staflid van een van onze partnerorganisaties. Weer zo’n moment dat ik met mijn mond vol tanden sta. Met kanker kan ik omgaan, maar aids was tot dit moment een concept voor me. Een ziekte zonder gezicht. En wat geen gezicht heeft is groot, misschien eng, maar vooral op afstand. Tot dat moment speelt de vraag niet wat je zegt en vooral wat je doet. Alle uitgebreide aidsvoorlichting ten spijt moet ik iets overwinnen om haar bij vertrek een dikke Ugandese knuffel te geven. Pas op dat moment realiseer ik me echt hoe pijnlijk deze ziekte is, de sociale pijn is misschien nog wel veel groter dan de fysieke. 
In de jaren daarna hoor ik dat ook steeds in de verhalen. Uitsluiting door angst en angst voor uitsluiting maken deze ziekte nog destructiever dan hij al is. Bang voor knuffels ben ik al lang niet meer, schrikken dat iemand aids heeft, doe ik ook al lang niet meer. Maar ik vergeet nooit meer dat moment van aarzeling en wat angst met mensen, ook met mij kan doen. 

“Iedereen laat ons in de steek en nou jij ook al!” 
Gladys is razend en dat laat ze voelen ook. Het is oktober 2004 en ik kan niet naar Kitgum. Ik mag niet vanwege de oorlog. En vooral: ik durf niet. De oorlog in Uganda brengt demonen van een vorige oorlog tot leven. Doodsangst en schuldgevoel dansen om elkaar heen. Ik voel me zo nietig, kan zo weinig doen en tegelijk voel ik me zo schuldig. Zie me hier zitten met mijn ticket, geld, twee fototoestellen en een laptop. Waarom ik wel, en zij niet? 
Lang geleden moest ik kiezen: weglopen voor een oorlog of blijven. We bleven, maar de prijs was hoog. En toen ik vertrok omdat mijn werk erop zat, nam ik het schuldgevoel mee, stopte het weg, tot het in Uganda explodeerde. Zie je wel... ik laat hen in de steek. 
“You have to take care of yourself before you can take care of others!”, zegt Ruth die door de telefoon wil kruipen om het in mijn hoofd te rammen. “Ik kan het weten”, zegt ze. “Denk je dat ik niet soms wanhopig wordt van alles wat ik hoor en zie. Dan moet je de ruimte nemen en voor jezelf te zorgen en weten dat je nodig bent als gezond mens, niet als iemand die zich niks voelt.” 
“We zijn allemaal een beetje gek, alleen sommigen zijn nog een beetje gekker”, zegt Gladys en ze lacht erbij. “Laat je niet tegenhouden door wie je bent”. 
“We have to give hope.”, zegt Caecilia keer op keer zonder zich door wat dan ook te laten stoppen. 
Een cordon van wijze vrouwen laat hun eigen worsteling zien met wat ze dag na dag zien en meemaken. En zonder het goed en wel te beseffen misschien, helen we ons en elkaar. De kracht van de hoop en de kracht van het samenwerken als antwoord op het leren leven met je eigen kleinheid en nietigheid in een wereld die soms zo boos en groot is. 

“Dit is wat God wil”, zei iemand in de hel van het vluchtelingenkamp in Lira, een van de grootste steden in Uganda. 
“Nee”, zei Gladys. "Dat geloof ik niet. Dit is niet Gods wil. Dit is wat mensen elkaar aandoen en ik ga daar wat tegen doen.” 
“Mijn hart huilt zo vaak”, zegt Ruth, ”maar Elise, we moeten gewoon doorgaan. We are all created in Gods image, so we can do it” 
“We have to give hope”, zei Cecilia weer. De islamitische vrouwen uit Wajir spraken samen met de christelijke vrouwen uit Naivasha een gebed uit. 

Van al die vrouwen leerde ik iets wat ik voor onmogelijk had gehouden. Zelfs in de hel van de oorlog kan je God ontdekken. Zelfs in de hel van de oorlog kan je God zien in mensen. Van al die vrouwen leerde ik het kostbaarste ooit: De hoop houdt nooit op, zolang er vrouwen en mannen zijn zoals zij. Mensen die ondanks alles lichtjes aansteken en zeggen het is beter een kaarsje aan te steken dan het duister te vervloeken. Die opstaan uit de ellende en de matheid en die iets gaan doen. Zij leerden mij beseffen dat we allemaal naar Gods beeld geschapen zijn en dat God wil dat mensen heel zijn. Wij mogen, of zo je wilt: moeten dat waar maken, met elkaar. 

En daarboven en doorheen leerden ze me hoe je altijd moet blijven genieten van al het goede om je heen. Hoe je altijd kan blijven lachen en hoe vriendschap niet gebonden is aan nationaliteit of kleur. Daarom zal ik mijn speech afsluiten met deze woorden: 

‘Jullie uitzonderlijke veerkracht, jullie niet aflatende droom, jullie vrolijkheid en vooral jullie vriendschap zijn voor mij lichtjes van hoop die de wereld veranderen, fonkelende sterren in een wonderlijke tegenstrijdige wereld. Als ik in Nederland vertel over jullie doe ik eigenlijk niets anders dan wat Rueben me ooit leerde: vertel wat je ziet en wat je voelt en door dat te doen, doe ik wat Caecilia me als opdracht meegaf: we have to give hope. Jullie verhalen inspireren mensen. Mensen die zich ondanks alle rijkdom zo vaak klein en nietig voelen. Jullie verhalen tillen mensen op. De echo van jullie hoop en tomeloze kracht om door te gaan echoot en bevrijdt van moedeloosheid. Die kracht door mogen geven aan mensen in Nederland, ervaar ik iedere keer als een groot geschenk.

Ik ben dankbaar vanuit het diepst van mijn hart dat ik al die jaren met jullie heb mogen werken en voor alles wat ik van jullie heb mogen leren.

May the Lord bless you all abundantly.’ 

Elise 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten